Beelden voor een geschiedenis
Een gesprek met Max Pinckers en Michiel Burger

Text by Hans Theys, Montagne de Miel, 5 March 2015.
First published in the Young Belgian Art Prize catalogue, Brussels, Belgium, 2015.

Op weg naar het Brusselse atelier dat de fotografen Max Pinckers (1988) en Michiel
Burger (1983) delen met enkele andere kunstenaars hoor ik op de radio dat de
burgemeester van Charleroi verzet heeft aangetekend tegen de bekroning van een
foto van zijn stad die volgens hem ten onrechte als documentair wordt beschouwd
omdat ze werd gemaakt in een andere stad, met kunstlicht en met gebruik van
acteurs. Pinckers en Burger hebben het nieuws ook gehoord en glimlachen. ‘World
Press Photo is het bastion van de conservatieve, kortzichtige, documentaire
fotografie,’ vertelt Pinckers. ‘Een geënsceneerde foto met inzet van acteurs en
kunstlicht zou geen echt beeld van de werkelijkheid geven, maar een foto die
onbewust gebaseerd is op de esthetiek van schilderijen (een landschap of een
Madonna met kind) wél. Dat is natuurlijk niet zo.’ ‘Foto’s maken deel uit van een
reeks taalspelen die tussen ons en de werkelijkheid staan,’ voegt Burger eraan toe.
‘Je kan die taalspelen betrappen, blootleggen, in kaart brengen, reconstrueren of
manipuleren, maar je kan vandaag niet meer doen alsof ze niet bestaan.’

Ziehier het uitgangspunt van beide kunstenaars, ook al hebben ze een verschillende
aanpak. Zo maakte Burger bijvoorbeeld de ontroerende reeks Perverse Translations:
‘Een archief of een verzameling indexkaarten die een fotoserie beschrijven waarvoor
ik heb geprobeerd buitenkanten te fotograferen. Niet vanuit het idee dat die beelden
iets zeggen, maar vanuit het idee dat ze niets zeggen. Hoe kan een verwende
jongen uit Nederland die niet erg zijn best doet, documentairefotograaf worden, op
gekke plekken aan de andere kant van de wereld terechtkomen en daar foto’s gaan
maken van heel normale of nietszeggende dingen? Met dit archief wilde ik laten zien
wat er dan gebeurt door er beelden van mijn persoonlijke leven aan toe te voegen.
Als je aan de andere kant van de wereld terechtkomt en daar de normaliteit tracht
vast te leggen, moet je ook je eigen normaliteit tonen, vind ik, omdat de verschillen
tussen de heersende taalspelen de documentaire fotografie onmogelijk maken. Voor
mij was dit de eerlijkste manier om een documentaire te maken. Dat leverde een
interessant versplinterde, kwalitatief minderwaardige verzameling beelden op. Ik ben
minder geïnteresseerd in de zogenaamde kwaliteit van de resulterende beelden, dan
in het aftasten van een problematiek en het respecteren van een aantal zelf
verzonnen, expliciet gemaakte regels.

Het nu al indrukwekkende oeuvre van Max Pinckers is thematisch verwant met het
werk van Michiel Burger (als reflectie op de beperkingen van de doctrinaire
documentaire fotografie), maar neemt een andere vorm aan. Zo bestaat zijn meest
recente, gepubliceerde ‘documentaire’ Will They Sing Like Raindrops or Leave Me
Thirsty uit reguliere documentaire foto’s, geënsceneerde, met kunstlicht bijgelichte
foto’s, gevonden foto’s, krantenknipsels, prints van een blog en foto’s van
voorwerpen die hij door ambachtslieden liet maken. Al deze elementen werden
samengebracht in een prachtig vormgegeven boek, waarbij de lay out het statuut van
de verschillende elementen onderstreept.

Het huidige avontuur ging van start toen Max Pinckers door het Londense Archive of
Modern Conflict (AMC) werd uitgenodigd dit archief te bezoeken en eventueel een
werk te maken op basis van deze kennismaking. Pinckers nodigde Michiel Burger uit
om hem te vergezellen, omdat hij wist dat dit soort archief hem zou aanspreken.
Samen ontdekten ze een mapje met propagandamateriaal van het Ministerie van
Informatie van Brits Kenya, waarin een onfris beeld werd opgehangen van de Mau
Mau: Kenyaanse opstandelingen uit de jaren vijftig. Zo kwamen ze op het idee
beelden van de toenmalige koloniale regering te confronteren met de hedendaagse
beeldvorming over de Mau Mau, die in het huidige Kenya als vrijheidsstrijders
worden beschouwd, én met eigen beelden.

‘Het beeldencorpus zal bestaan uit drie delen,’ vertelt Pinckers. ‘Ten eerste is er de
Britse propaganda die de Mau Mau voorstelt als beesten. Ten tweede is er de manier
waarop de Mau Mau sinds kort worden voorgesteld in Kenya. Vandaag is het niet
langer taboe over hen te spreken, maar het is opvallend dat de mensen die hen
vandaag willen voorstellen als vrijheidsstrijders een beeldtaal gebruiken die
gebaseerd is op de westerse iconografie. Zo hebben ze een vrijheidsstandbeeld dat
mannen voorstelt die een vlag hijsen, exact zoals de bekende, geregisseerde foto
van Iwo Jima. Er is ook een bekend standbeeld van Jomo Kenyatta dat hem voorstelt
zittend op een troon als een Britse koning. Ten derde is er de wetenschappelijke
benadering van Caroline Elkins, een aan Harvard verbonden vorser die aan de hand
van getuigenissen probeert te achterhalen wat er in de jaren vijftig en zestig echt is
gebeurd. We willen proberen beelden te maken voor een orale geschiedenis die
nooit gevisualiseerd is.’

Burger: Dat klinkt goed, maar we weten niet of het wel zal lukken.

Pinckers : Zo zit het in mijn hoofd.

Burger: Ja, jij hebt een pitch. En het klinkt goed. Als we er maar niet door beperkt
worden als we op het terrein zijn.

Pinckers: Vertel dan eens hoe jij het ziet.

Burger: Ik vind dat we zoveel mogelijk beeld, tekst en andere taalvormen zoals
liedjes over dat conflict moeten verzamelen en naast elkaar leggen om te kijken of er
sjablonen zijn en om te tonen hoe beeldtaal wordt ingezet om geschiedenis te
schrijven.

Pinckers: Wat we willen onthullen of tonen is een structuur, een taal, een manier om
iets te construeren.

Burger: Een taalspel. Maar ook het taalspel dat op gang komt wanneer wij naar
Kenya gaan om daar dingen bij te leren en beelden te creëren. Alle uitwisselingen die
daarbij plaatsvinden. Zo kunnen we wel twaalf verschillende spelletjes naast elkaar
leggen.

Pinckers: Het eigenlijke maken van de beelden doen we samen. Ik wil dat we voor
elk beeld maar één camera gebruiken en dat we samen beslissen welke, met welke
belichting, kadrering, enscenering enzovoort.

Burger: Voor mij is dat minder belangrijk. Ik ben niet geïnteresseerd in het beeld op
zich, wel in de manier waarop het verhaal verteld wordt. Ik hoef niet de schepper te
zijn van de beelden.

Pinckers: Ik vind het boeiend dat we allebei een aparte voorstelling hebben van hoe
iets er zou kunnen uitzien. Het creëert meer mogelijkheden en het belet misschien
dat je onbewust zelf vervalt in sjablonen. Ik had bijvoorbeeld een verhaal gehoord
over mensen van wie de voeten ingesmeerd werden met honing. Ik zag dat al voor
mij: met honing ingesmeerde voeten op een achtergrond van rode aarde. Ik heb
vorige week zelfs zo’n foto proberen te maken in Nepal, met bijenwas, maar dat zag
er niet goed uit. En als ik hier vanochtend arriveer, blijkt Michiel een foto van met
modder besmeurde voeten gevonden te hebben die gemaakt is door Bruce Nauman
en die het beeld benadert dat ik in mijn hoofd had. Dat vind ik prachtig. Zo komen we
samen tot beelden.

Burger: Het fijnste vind ik dat we mekaars domme ideeën meteen afschieten. Dat
werkt veel productiever dan in je eentje rustig aanmodderen… De hoofdvraag is: wat
voor type beelden hebben we nodig? Hoe ontrafelen we de gebruikte codes en hoe
vertellen we zelf een verhaal?

Pinckers: Ik ben benieuwd.