Max Pinckers

Text by Geert Zagers.
First published in Focus Knack, August 2015.

Euhm, Max. Wat is dit?’ Er hangt een roodbruine teckel aan mijn rechterbeen. Zijn voorpoten omklemmen mijn dij, terwijl zijn achterwerk ritmische stootbewegingen maakt ter hoogte van mijn scheen.
‘Het lijkt erop dat hij jou aan het berijden is.’
‘Zo ver was ik al, maar kan dat stoppen?’
‘Geef hem gewoon een tik met je knie.’
De kop van het dier komt gevaarlijk dicht bij mijn kruis. Het lijkt een waarschuwing.
‘Is er ook een plan B?’
‘Babu! Af!’
‘Is... Is dat zijn... Mijn God. Los dit op!’
‘Babu! Let go!’
Geen effect.
‘Even tussendoor: vanwaar ‘Babu’?’
‘Als je in India over straat loopt, hoor je dat de hele tijd. ‘Babu!’ De lokale vertaling van ‘hé, gast!’ Oorspronkelijk was het een term van de Britten voor een Indische klerk die Engels kon spreken. We vonden het wel bij hem passen.’
‘Verstaat hij Engels?’
‘Engels, Nederlands, Spaans en een mondje Hindi.’
‘Probeer eens in het Hindi anders.’
‘Babu! Bas!’

Een multinationale hond: het past wel in het huis. Victoria Gonzalez-Figueras, Pinckers’ vriendin, is een Argentijnse, geboren in Canada en getogen in Spanje. Zelf is hij een Belg, opgegroeid in Azië en Australië. Internationaliteit lijkt een vanzelfsprekendheid in dit gezelschap. In mei zijn ze teruggekomen van Kenia. Daarvoor zaten ze twee maanden in Japan. Samen zijn ze gemiddeld zes maanden per jaar in het buitenland: hij als fotograaf, zij als assistente, researcher en lichtvrouw.

‘De avonturen van Max Pinckers’: het klinkt goed. Voor een man met een naam als een stripfiguur, kan het geen toeval zijn dat hij al evenveel van de wereld heeft gezien als Kuifje. Pinckers gooide in zijn bachelor aan het Gentse Kask al hoge ogen met Lotus , een documentairereeks over Thaise ladyboys. Hij brak internationaal door met zijn afstudeerproject The Fourth Wall , een zelf uitgebracht fotoboek waarin hij
inzoomde op de invloed van Bollywood op India. Het verkocht in geen tijd uit nadat Martin Parr, fotograaf en notoir fotoboeken - verzamelaar, het het ‘sleeper book of the year’ had genoemd. Drie lovende alinea’s, genoeg om van de duizend exemplaren een collectible te maken – op het internet gaat het boek ondertussen al voor bedragen ruim boven de 300 euro.
Daarna volgde Will They Sing Like Raindrops or Leave Me Thirsty , waarvoor hij in het kader van Europalia opnieuw naar India trok, in het spoor van de Love Commandos, een organisatie die jonge koppels helpt te ontsnappen aan gearrangeerde huwelijken en eerwraak. Nauwelijks drie jaar nadat hij is afgestudeerd, is Pinckers een van de meest bejubelde fotografen van het land, die behalve Parr ook gerenommeerde fotografen als Dirk Braeckman en Alec Soth lyrisch krijgt. Sinds enkele maanden mag hij zich het
jongste lid van de Magnumclub noemen: in juni raakte bekend dat Pinckers nominee is bij het meest prestigieuze fotogezelschap ter wereld. Vanuit België deden alleen Harry Gruyaert, Carl De Keyzer, John Vinck en associate Bieke Depoorter hem dat voor.

Wat allemaal niet goedpraat dat zijn teckel mijn been aan het droogrijden is.
‘Kom, Babu.’

Pinckers, een vriendelijke, serieuze jongen die verrassend genoeg wegkomt met een seventiessnor, zet de teckel in de gang en sluit de deur. We zijn in zijn appartement in Brussel, iets dichter bij de Nieuwstraat dan je van een wereldburger verwacht. ‘We zijn net naar hier verhuisd’, zegt hij bij wijze van excuses terwijl
hij naar de opgestapelde bananendozen met spullen wijst. ‘We wachten met uitpakken tot de verbouwingen afgerond zijn.’ Het expliceert de inrichting: er hangt niets aan de muren, de koffiezet staat op de ijskast en de living lijkt voorlopig ook dienst te doen als bureau en
keuken.

Hij neemt een sigaret en stapt richting terras om een asbak te zoeken. ‘Dit is waarom ik hier ben komen wonen’, zegt hij terwijl hij de terrasdeuren openzet. De miezerige motregen buiten haalt zijn punt een beetje onderuit, maar ik snap wat hij bedoelt. Zijn terras, op de zevende verdieping, kijkt uit op de achterkant van de lichtreclame van Hotel Le Dôme. Daarachter verrijst de glazen mastodont van het Sheraton aan het Rogierplein. De WTC-toren en de hoogbouw van de Noordwijk, iets verder aan de einder, domineren de rest van de skyline.

‘Heb je een appartement gekocht voor het uitzicht?’
‘Indrukwekkend, toch? Net omdat je het absoluut niet met Brussel associeert. Kijk naar dit uitzicht en je waant je in een metropool.’

Ben je eigenlijk een Brusselaar?

MAX PINCKERS: Ik ben hier geboren, ja. Mijn moeder, half-Duits, half-Belgisch, werkt als journaliste, mijn vader is fotograaf. Op mijn vijfde is mijn moeder met mij naar Bali getrokken – als kleuter sprak ik zelfs vloeiend Indonesisch. Na drie jaar zijn we naar Australië verhuisd: Byron Bay, in het uiterste oosten van het land. Ondertussen was mijn vader in Singapore gaan wonen. Op mijn twaalfde ben ik bij hem ingetrokken om aan de internationale school ginder – een hele strenge businessschool – mijn middelbaar te volgen. Ik ben dus min of meer opgegroeid in een expat community.

Een kind van de wereld.

PINCKERS: Zo zou je het kunnen stellen, ja.

Wat doet dat met iemand?

PINCKERS: Dat kan ik niet precies zeggen. Ik ben opgegroeid op verschillende plekken in verschillende landen en dat heeft me wellicht mee gevormd. Ik denk niet zo heel veel na over vroeger. Het is gewoon wie ik ben.

Niet je favoriete onderwerp?

PINCKERS: Niet meteen, nee. Ik heb geen moeilijke jeugd gehad of zo, maar ik zie het punt niet van mijn hele levensverhaal te vertellen. Dat hou ik liever privé. De enige reden waarom ik er iets over zeg, is omdat het op een of andere manier wel klikt in wat ik nu doe. Het reizen, bedoel ik dan.

Waarom ben je teruggekeerd naar Brussel?

PINCKERS: Ik denk dat het de enige plek is geweest in mijn leven die er altijd is geweest. De enige constante. In de zomers kwam ik altijd naar hier. Ik had dus nog een band met België, ook al groeide ik op in Azië. Ik kon hier altijd terecht bij een paar heel goede vrienden, mijn familie woonde hier ook nog. Op mijn achttiende, toen het tijd was om te gaan studeren, ben ik terug naar Brussel verhuisd, ook al voor het onderwijs: hogere opleidingen in het buitenland kosten een fortuin.

Ik las dat je op je eerste ingangsexamen fotografie gebuisd was.

PINCKERS: Terecht ook. Ik had eigenlijk geen idee wat ik wilde studeren. Fotografie leek me wel iets, maar ik had geen portfolio. Ik moest voor het ingangsexamen ook een actualiteitstest doen en een schrijfopdracht, maar ik wist niets van wat er hier de laatste jaren gebeurd was en ik kon geen Nederlands schrijven. Toen ik in het buitenland woonde, sprak ik wel Nederlands met mijn ouders, maar mijn hele schoolse leven speelde zich in het Engels af. Het was dus geen verrassing dat de academie me niet toeliet. Ik ben dan een jaar sinologie gaan studeren in Gent. Ondertussen was ik met lomografie beginnen experimenteren. Ik had een Lomo LC-A gekocht, zo’n Russische plastic camera, die ik altijd op zak had. Een heel vrije manier van fotograferen. Je moest niet met lichtmeters bezig zijn, je moest gewoon mikken en trekken. Analoog ook – als tegenreactie op de digitale opmars. Ondertussen lijkt het alsof iedereen met lomografie bezig is – het is ook een heel commerciële onderneming geworden – maar toen was dat een coole community. Er waren heel vaak wedstrijden, iedereen becommentarieerde elkaars beelden op het internet, mensen experimenteerden met dubbelopnames en cross processing (film ontwikkelen in een chemisch bad dat voor een andere type film bedoeld is, nvdr.) . Dat is hoe ik van fotografie ben beginnen te houden. De liefde voor het analoge zal ook wel vandaar komen: ik trek nog altijd niet digitaal. Na dat jaar sinologie was ik klaar om aan de academie te gaan studeren: de tweede keer was ik er wel door.

Wat trok je zo aan in fotografie?

PINCKERS: Dat weet ik niet zo goed. Mijn vrienden in Brussel waren allemaal iets artistieks gaan doen in Gent, het leek me logisch om die richting uit te gaan. Ik zag als kind mijn vader aan het werk als fotograaf, dat zal er ook wel iets mee te maken hebben. Maar ik denk dat ik vooral het gevoel had dat het iets was waar ik goed in zou zijn. Iets dat me zou boeien.

Was het ook een manier om te reizen?

PINCKERS: Ja en nee. Ja, omdat ik graag reis. Ik ontdek graag nieuwe plekken, ontmoet graag nieuwe mensen, leef graag in een andere cultuur. En dat gaat het makkelijkst als fotograaf. Als toerist ergens naartoe gaan interesseert me niet. Geef me een rugzak en zet me op het vliegtuig richting Zuid-Amerika en ik ben het na een week beu. Maar als je er een werk maakt, leer je een cultuur en een land op een heel andere manier kennen. Je hebt een excuus. Je wijst een plek op de kaart aan en gaat er naartoe of je researcht een locatie en komt terecht op plekken waar je anders nooit zou komen – het red light district van Mumbai of op de set van een Bollywoodfilm bijvoorbeeld. En tegelijk neen, omdat reizen geen doel op zich is. Ik trek vooral naar Azië omdat ik het continent goed ken en het de makkelijkste plek is voor mijn manier van werken. India bijvoorbeeld is zo doordrongen van Bollywood dat als je er je licht op straat opstelt mensen zich meteen komen aanbieden om op de foto te staan: dat lukt in het Westen niet. Ik probeer geen cultuur in beeld te brengen of een land te documenteren. Dat is niet waar het me om gaat.

Het is het misleidende aan zijn foto’s. Zoek zijn beelden op Google en je zou kunnen denken dat het daar net wel over gaat. Het exotische van zijn buitenlandse settings trekt zo de aandacht dat het esthetische, schilderachtige plaatjes lijken van Indiase decors en Thaise kitsch. Maar dat is niet wat Max Pinckers interesseert. Ga door zijn fotoboeken en je merkt dat hij niet bezig is met het documenteren van folklore of het blootleggen van culturele verschillen. Zelfs zijn onderwerpen, hoe goed gekozen ook, zijn vaak niet waar het echt om draait. Hij is bezig met iets anders. Iets universelers. Het is waarom hij zo bejubeld wordt door mensen die iets van fotografie kennen. Meer dan een documentairefotograaf is hij een commentator op de documentairefotografie. Hij ensceneert veel van zijn foto’s, laat mensen verhalen naspelen die hij onderweg gehoord heeft. Bij de spontane foto’s die hij trekt, gebruikt hij vaak een onnodige flits om het beeld te overesthetiseren, de kijker duidelijk te maken dat je naar een foto kijkt en niet naar de realiteit. Het is die spanning die hij zoekt. Hij probeert niet het perfecte moment te vatten, maar het perfecte beeld. Het heeft iets met de illusie van objectiviteit te maken, het idee dat een fotograaf de realiteit beweert te tonen, terwijl hij ze tegelijk manipuleert. Zoals gezegd: Max Pinckers is een serieuze jongen.

Op zijn iMac zoekt hij de beelden van “The Struggle for Freedom in: ________” , een expo die momenteel bij Bozar loopt als onderdeel van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst. Het Londense Archive of Modern Conflict, dat beeldmateriaal verzamelt uit conflictgebieden, had hem gevraagd door hun collectie te gaan.
Ter plekke was hij op een map gestoten over de Mau Mau, een Keniaanse guerillagroep die in de jaren vijftig vervolgd werd door de kolonialen. Het was vooral Britse propaganda tegen de Mau Mau die hem ertoe bewoog om hun kant van het verhaal in beeld te brengen. Samen met de Nederlandse fotograaf Michiel Burger trok hij naar Kenia om de nog levende Mau Mau-veteranen op te zoeken.

Na even zoeken in zijn bestanden klikt hij de map met de originelen open. Er zitten puur registrerende landschapsfoto’s in, die pas betekenis krijgen als je weet dat er onder de bomen en struiken massagraven schuilen. Er zijn stills uit de jungle, geplukt van een motion-capture camera, die heel echt lijken maar volledig in scène gezet zijn. Maar het zijn vooral de duidelijk geënsceneerde foto’s die de aandacht trekken; beelden van oude mannen die hun oorlogsverhalen naspelen voor Pinckers’ lens, elkaar fouilleren of met machetes in de hand een lichaam in de struiken leggen. Het heeft iets van The Act of Killing , Joshua Oppenheimers briljante documentaire waarin hij de daders van het Indonesische bloedbad van de jaren zestig, ondertussen op leeftijd, hun acties liet naspelen voor de camera.

PINCKERS: Iedereen maakt die vergelijking. Wat wel mooi is. Maar ik denk wel dat er verschillen zijn. In The Act of Killing gaan de re-enactments over hoe Hollywoodfictie en brute realiteit in elkaar overlopen. Bij ons gaan de ensceneringen meer over hoe je een verhaal kunt manipuleren door een beeldstrategie te gebruiken.

Is dat de constante in je foto’s: dat metacommentaar op de documentairefotografie?

PINCKERS: Ik denk het wel. Wat ik fotografeer, gaat nooit alleen over het onderwerp zelf. Lotus gaat over hoe Thaise transgenders zich heel theatraal presenteren voor de camera, hoe ze zich anders voordoen dan ze werkelijk zijn. The Fourth Wall gaat over hoe fictie doorsijpelt in de realiteit in India. Will They Sing Like Raindrops zegt iets over hoe zelfs het beeld van liefde in India doordrongen is van de Bollywoodcultuur. Dat zijn allemaal onderwerpen die me toelaten om mijn visie als fotograaf erin te steken. Die ruimte laten om iets te zeggen over manipulatie, objectiviteit en esthetisering.

Ik koester altijd een zeker wantrouwen tegenover kunstenaars die beweren dat ze het medium in vraag stellen.

PINCKERS: Waarom?

Het lijkt alsof het moet maskeren dat ze niets anders te vertellen hebben.

PINCKERS: Ik denk dat elke kunstenaar het medium waarin hij werkt in vraag stelt. De keuzes die je maakt moeten verantwoord zijn.

Pakweg A bout de souffle van Jean-Luc Godard was geen goede film omdat hij het medium cinema in vraag stelde. Het was een goede film omdat hij ondertussen ook iets schoons zei over kiezen tussen triestheid en niets. Misschien is dat wat ik bedoel: het mag niet alleen iets voor diploma’s kunstgeschiedenis worden.

PINCKERS: Oké, maar film is een heel ander medium. De zaal waarin je zit, de montage, de soundtrack: alles aan dat medium draait om manipulatie. In de fotografie is dat heel anders. Daarin draait het zuiver, simpelweg gezegd, om de realiteit en de constructie ervan. Wat het heel simpel maakt, maar ook heel complex. Chuck Close, een schilder met een heel fotorealistische stijl, zei ooit dat fotografie het makkelijkste
medium is om iets moois mee te doen en het moeilijkste om een visie in naar voren te schuiven. Daar is iets van. Zeker in de huidige fotocultuur, waarin iedereen een camera op zak heeft, kan iedereen een mooie foto maken. Geef een aap een fototoestel en er zal wel iets esthetisch op het filmrolletje staan. Als je vandaag iets meer wil doen dan louter een mooi plaatje maken, moet je met dat medium aan de slag, die beeldtaal.

Hoe ben je met die werkwijze begonnen?

PINCKERS: Eerder toevallig eigenlijk. In het derde jaar van het Kask ben ik mijn vader gaan bezoeken in Singapore. Quinten De Bruyn, een studiegenoot, was toevallig in Thailand op bezoek en belde me dat hij op zolder een oude Mamiya camera had gevonden. ‘Kom af, dan prutsen we samen wat.’ Ik ben voor drie dagen naar Bangkok gevlogen met wat lichtmateriaal dat mijn vader nog had liggen. Om de camera te testen hadden we het meest sensationele, exotische clichéonderwerp gekozen dat we konden vinden: ladyboys. We zijn naar de hoerenbuurt getrokken en hebben transseksuele prostituees gevraagd of we ze mochten fotograferen – wat geen probleem bleek te zijn. Terug in België hebben we de filmpjes laten ontwikkelen. Er zaten maar vijf goede foto’s bij, maar de stijl sprak ons meteen aan. Er zat ook iets interessants in dat overesthetiseren: het idee dat een documentairefotograaf doet alsof hij een objectieve toeschouwer is die de waarheid vastlegt, maar tegelijk mooie, goed uitgelichte plaatjes maakt die het onderwerp verstoppen.

Zijn je foto’s een kritiek op de documentairefotografie?

PINCKERS: Niet op alles. Maar er is wel fotografie waar ik het moeilijk mee heb. Ik kan me
ergeren aan het onnodig esthetiseren van het onderwerp zonder kritisch na te denken – zeker als het trieste onderwerpen zijn. Je kent de beelden wel. Zwart-witfoto’s van een Afrikaanse vrouw met een huilend kind, vastgelegd als een soort piëta. Een kind in oorlogsgebied, enkel de ogen en het voorhoofd binnen het kader, zodat het lijkt alsof het geweld op de achtergrond zich afspeelt in zijn hoofd.

Foto’s met zo’n chique zwarte rand errond.

PINCKERS: Vaak wel, ja. (lacht) Heel vreemd trouwens, die randen. Ze moeten de suggestie wekken dat je de rand van het negatief ziet, om te benadrukken dat het een niet-gecropte, analoge foto is. Het zijn foto’s die claimen dat ze de realiteit laten zien, terwijl het eigenlijk sjablonen zijn, visuele trucjes om iets zo mooi mogelijk in beeld te brengen. Daarom ook dat ik die onnodige flits gebruik en heel bewust laat zien dat ik sommige beelden ensceneer. Omdat er dan een eerlijkheid in zit die zogenaamde authentieke foto’s missen.

Verwacht je dat de kijker dat ook opmerkt?

PINCKERS: Neen. Een van de voordelen van die overesthetisering in mijn foto’s is dat de beelden ook gewoon mooi zijn. Mensen die graag naar mooie plaatjes van exotische locaties kijken, hebben er ook iets aan.

Iets zegt me dat dat jou niet bijster interesseert?

PINCKERS: Laat ons zeggen dat het de minst boeiende interpretatie is. (lacht)

Hij staat op om verse koffie te zetten. Naast de espressomachine ligt een oude Olympuscamera.

‘Is dat je camera?’ ‘Neen. Ik trek met een Mamya RB67. Eigenlijk een studiocamera uit de jaren tachtig om producten mee te fotograferen. Hij ligt nog ergens in een van die dozen.’
‘Wanneer heb je het laatst een foto getrokken?’
‘In Kenia. Twee maand geleden. Ik trek geen foto’s als ik niet met een onderwerp bezig ben.’
‘Zelfs geen vakantiefoto’s?’
‘Die maakt mijn vriendin.’

Hoor jij geen obsessieve fotograaf te zijn?

PINCKERS: Dat valt wel mee. Ik denk niet dat ik al een foto voor mijn werk heb getrokken in Brussel. Het is de stad waar ik mijn boeken afwerk en expo’s voorbereid, niet waar ik fotografeer. Ik zou het wel eens willen doen, maar het zou heel moeilijk zijn. Vooral uit praktische overwegingen. Als je drie maanden in een ander land zit, ben je elke dag met je onderwerp en je concept bezig. Er is geen enkele afleiding. Ik heb die focus nodig om me te kunnen verdiepen. Anders gebeuren die toevalligheden niet. Je onderbewustzijn moet werken.

Hoe letterlijk moet ik onderbewustzijn nemen?

PINCKERS: Behoorlijk letterlijk. Er zijn heel veel momenten waarop je fotografeert zonder dat je precies weet waarom. Je ziet iets en je trekt voor de zekerheid een foto. Gek genoeg zijn dat de beelden die achteraf heel cruciaal blijken. Daarom ook dat boek: dat redigeren verduidelijkt een heleboel zaken. Pas als ik alle foto’s naast elkaar leg, zie ik wat ik eigenlijk bedoelde– zonder het op dat moment zelf te beseffen.

Over wat voor dingen heb je het dan?

PINCKERS: Kleine details vooral. Toevalligheden die er uiteindelijk geen blijken te zijn. Zo staat in The Fourth Wall een foto van twee koelies, Indiase piccolo’s, die op de grond liggen. Als je goed kijkt, heeft eentje ervan een teen uit zijn sok steken. Dat was niet zo bedoeld: ik heb het zelf pas naderhand opgemerkt. Wel, het toeval wil dat op de pagina ervoor een krantenartikel staat over Amitabh Bachchan, een van de grootste Bollywoodacteurs. Tijdens de opnames van een vechtscène in de film Coolie was hij verkeerd gevallen en had hij zijn milt gescheurd. Een enorm drama in India – er stonden rijen mensen voor het ziekenhuis, in het hele land werd voor hem gebeden. Toen de film af was, hebben wordt het beeld even gepauzeerd, terwijl er op het scherm verschijnt: ‘This is the shot in which Amitabh Bachchan was seriously injured.’ In het oorspronkelijke script zou hij ook sterven, maar dan is dan aangepast omdat hij in het echt bijna overleden was. Heel schoon verhaal over hoe de realiteit in de fictie sluipt en vice versa: daarom dat ik het erin
opgenomen heb.

En wat heeft dat met die teen te maken?

PINCKERS: Dat ging ik dus net vertellen. Achteraf ontdekte ik dat Bachchans vrouw beweert dat haar man na drie weken coma in het ziekenhuis ineens zijn teen bewoog: dat was het moment waarop ze wist dat hij het zou halen. Dat zijn dan van die rare dingen die ineens blijken te kloppen. Minidetails, ik weet het, maar dat fascineert mij.

Dat is wel een tikje maniakaal.

PINCKERS: Er zit wel iets van een detailmaniak in mij. Dat is wat het boeiend maakt. Het zijn dat soort dingen die maken dat een foto meer is dan een plaatje. Dat zijn de momenten waarop het voor mij duidelijk wordt waarom ik dit doe.

Het is iets dat opvalt als je je boeken door bladert. Een foto van een leeggelopen glas melk verwijst naar de Bollywoodtraditie om in erotische scènes over te snijden naar een lopende melkstraal, én het verwijst naar een foto van Jeff Wall. Een foto van vier ijsblokken refereert aan de kastes in India, én naar de ijsblok die Francis Alÿs ooit door de straten van Mexico-Stad duwde. Zelfs een paard is niet zomaar een paard, maar een allusie op de hindoetraditie dat de bruidegom op een witte hengst moet toekomen op het huwelijk. Meer dan een obsessie met fotografie heb je een obsessie met betekenis geven aan je beelden.

PINCKERS: Hoe een beeld betekenis kan krijgen, dat is voor mij de essentie. De meeste van de voorbeelden die je geeft, zijn dingen die ik zelf ook pas achteraf heb ingezien. Een beeld op zich heeft weinig betekenis: het is pas in een context dat het inhoud krijgt. Misschien ga ik daar wel ver in, ja, maar ik denk dat iedereen dat heeft. Toon iemand een foto en hij gaat zoeken naar betekenis.

Ergens zit daar wel een mooie metafoor voor het leven in.

PINCKERS: Misschien wel, ja. Misschien is het mijn manier om de realiteit te begrijpen. Hoe de toevalligheden in je leven achteraf iets blijken te onthullen dat je op het moment zelf niet snapt. Ik weet het niet zo goed. Het zou wel kunnen.